AkzoNobel


Sikkens

Ook AkzoNobel is een bedrijf dat zichzelf in de loop van zijn historie min of meer opnieuw heeft uitgevonden. In deze beschrijving beperken we ons voornamelijk tot de geschiedenis van Akzo. Die voert ons ver terug in de tijd naar Wiert Willem Sikkens, die in 1792 in Groningen een fabriek vestigde voor de productie van verven en lakken. Sikkens verhuisde in 1939 naar Sassenheim, waar het nog steeds gevestigd is. Innovatie werd enerzijds afgedwongen door de klanten; al in 1924 had Sikkens een laboratorium voor kwaliteitsbewaking en ontwikkeling van nieuwe producten. Anderzijds werd innovatie afgedwongen door de oorlog; het nijpende tekort aan grondstoffen na de tweede wereldoorlog was in feite de aanleiding voor de ontwikkeling van lakken op basis van kunstharsen.

Ketjen

Ketjen was een andere firma die aan de wortels van Akzo staat. Ketjen is genoemd naar de Amsterdamse handelaar Gerard Tileman Ketjen, één van de drie oprichters van het bedrijf voor de productie van vitrioololie, beter bekend als zwavelzuur. Ketjen, opgericht in 1835, dankte zijn bestaan aan grondstoffenschaarste ten gevolgde van de toenmalige afscheidingsoorlog met België, dat voorheen zwavelzuur leverde aan de Noordelijke Nederlanden. Het bedrijf was gevestigd aan de toenmalige stadsrand van Amsterdam, maar door de bevolkingsgroei en de daarmee gepaard gaande stadsuitbreidingen kwamen er steeds meer klachten van omwonenden over stank en stof en de kwalijke dampen die het bedrijf veroorzaakte.

De grondstof die toen voor de bereiding van zwavelzuur werd gebruikt was pyriet, ijzersulfide (FeS2). Het pyriet werd geroost: roosten houdt in dat het materiaal verhit wordt onder toetreding van lucht: daarbij oxideert het naar ijzertrioxide, Fe2O3, en zwaveldioxide, SO2. Het daarbij gevormde zwaveldioxide werd met behulp van het lodenkamerproces (voor het eerst in 1746 op industriële schaal toegepast in Birmingham) omgezet in zwavelzuur (ook wel kamerzuur genoemd, verwijzend naar het lodenkamerproces). Pas in 1960 zou Ketjen pyriet als grondstof vervangen door (elementaire) zwavel.

Dat Ketjen in 1856 verplicht werd om de schoorsteen te verhogen tot een hoogte van “25 ellen en een doorsnee van 50 Nederlandse duimen” om de milieuoverlast te verminderen, kon een verhuizing van het bedrijf niet afwenden. In 1880 werd het bedrijf verplaatst naar de Kostverlorenvaart aan het einde van de Overtoom, maar ook daar bleef het klachten regenen, vooral van naburige tuinders die door de giftige dampen en neerslag veel schade ondervonden aan hun gewassen en daarvoor schadevergoedingen afdwongen bij Ketjen. Het leegstromen van een oleumketel (oleum is zogenaamd rokend zwavelzuur, een oplossing van zwaveltrioxide in geconcentreerd zwavelzuur), waardoor de hele buurt in corrosieve nevelen werd gehuld (oleumdamp is ongeveer driemaal zwaarder dan lucht en verspreidt zich dus over de grond), noodzaakte Ketjen in 1900 tot een nieuwe verhuizing naar de noordzijde van het IJ, waar het bedrijf (zij het niet meer onder de naam Ketjen) nu nog steeds gevestigd is. In de nieuwe fabriek werd zwavelzuur gemaakt met het efficiëntere contactproces. In 1916 kwam er een zoutzuurfabriek bij. In 1929 werd een nieuwe zwavelzuurfabriek gebouwd, die in 1937 fors werd uitgebreid. Ketjen ging een breder scala van zwavelverbindingen produceren, onder meer voor toepassing in de productie van sacharine (E954), een krachtige kunstmatige zoetstof die al in 1879 ontdekt is. Intussen ontwikkelde Ketjen zelf innovatieve producten en productieprocessen voor de bereiding van actieve kool en voor waterontharding (belangrijk voor stoomketels).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het bedrijf zwaar beschadigd en kwam de productie tot stilstand. Die werd in oktober 1945 hervat. In 1947 kwam er een fabriek voor zwaveldioxide en in 1953 bouwde Ketjen, in samenwerking met en onder licentie van Cyanamid, zijn eerste katalysatorfabriek. Met de snel groeiende olieraffinagecapaciteit in die jaren was er enorme vraag naar katalysatoren voor ontzwaveling en voor het kraken van zware koolwaterstoffen. Samen met het, eveneens Amerikaanse, Cabot bouwde Ketjen in 1959 in de Botlek een roetfabriek, die roet leverde voor de productie van autobanden. In 1960 volgden fabrieken voor resp. sulfoproducten, difenylolpropaan (DPP of bisfenol A, grondstof voor epoxyharsen) en dioctylftalaat (DOP, weekmaker voor plastics).

In 1962 fuseerde Ketjen met de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie tot Koninklijke Zout Ketjen, een belangrijke bouwsteen van het latere Akzo en het hedendaagse AkzoNobel. De Ketjen zwavelzuurfabrieken zijn nog steeds onderdeel van AkzoNobel (met uitzondering van de periode 1999-2004); de katalysatorfabrieken zijn sinds 2004 onderdeel van Albemarle Catalyst Company.

Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie

In de Nederlandse bodem werd zout gevonden bij een “mislukte” boring naar drinkwater in 1886 op het landgoed Twickel in Delden. In plaats van zoet water werd er op een diepte van enkele honderden meters een artesische bron aangeboord waaruit zout water spoot. Zout werd in die tijd geleverd door kleinschalige zoutzieders die hun ruwe grondstof, steenzout, uit Duitsland betrokken. Het zou nog tot 1919 duren voordat de Nederlandse zoutwinning een feit was; ondanks succesvolle proefboringen werden plannen daarvoor tegengewerkt door het kartel van zoutzieders (de Zoutconventie, waarvan alle Nederlandse zoutzieders lid waren) en de aangevraagde concessie voor zoutwinning in Boekelo werd in 1911 getorpedeerd door de Tweede Kamer. Het was de Eerste Wereldoorlog die de risico’s van grondstoffenschaarste op het nationale netvlies bracht en de doorslag gaf voor de “Wet tot ontginning van steenzout te Buurse”. Het was deze wet die de weg vrijmaakte voor exploitatie van de Nederlandse steenzoutvoorraden.

Natuurinformatie 2016w: "Steenzout komt vooral voor in Noord- en Oost-Nederland, in de vorm van zoutkussens (op diepten van enkele tientallen meters tot 1700 m onder NAP, vooral in Noord-Nederland) en zoutpijlers (die wel tot 3,5 km diepte kunnen reiken). De dichtheid van steenzout neemt niet toe met de diepte; op een diepte van 500 m en meer is het lichter dan de omringende gesteenten en heeft daardoor de neiging zich naar boven te bewegen, als er verstoringen (bijv. breuken) zijn in het omringende sedimentpakket. Steenzout gedraagt zich in de ondergrond als een dikke stroop. Bij stroming in horizontale richting (naar de plaatsen waar de druk van het afdekkende sedimentpakket het laagst is) ontstaan eerst lokale verdikkingen in het zoutpakket, de zogenaamde zoutkussens. Zoutpijlers ontstaan als het zout vervolgens door afdekkende sedimentlagen heen breekt en naar boven beweegt."

De Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie werd formeel opgericht op 18 juni 1918. De Staat nam deel aan de onderneming (150 aandelen van de in totaal 1500) en ook de Nederlandse zoutzieders konden deelnemen. Ko Vis, een zoutzieder uit de Zaanstreek, was de oorspronkelijke initiatiefnemer en een van de oprichters van de KNZ. De zoutwinning begon in 1919 in Boekelo, op 325 m diepte. In 1931 werd de onderneming uitgebreid met een zoutchemisch productiebedrijf voor de bereiding van chloor, chloorbleekloog (een oplossing van natriumhypochloriet, NaClO, in water), zoutzuur, natriumhydroxide (NaOH, caustische of bijtende soda) en natronloog (een oplossing van NaOH in water). In 1933 startte de KNZ de zoutwinning in Hengelo; dat werd vanaf 1935 de hoofdvestiging. Infrastructuur was ook voor de KNZ een factor van betekenis; een grote verbetering voor het transport van zout was het Twentekanaal, dat in 1938 gereed kwam.

Aan het eind van de jaren 1950 nam KNZ de Albatros Superfosfaatfabrieken en de Albatros Zwavelzuur- en Chemische fabrieken over, die in 1961 weer verkocht werden aan Mekog, de Maatschappij tot Exploitatie van Kooksovengas in IJmuiden. Mekog, een in 1929 opgerichte joint venture van Hoogovens en Shell, benutte het cokesovengas van de cokesfabriek op het terrein van de Hoogovens voor de productie van stikstofkunstmest. De in 1961 ontstane Verenigde Kunstmestfabrieken MEKOG-Albatros, beter bekend als VKF, richtte in 1964 samen met BASF de Ammoniak Unie op, die in Pernis een fabriek bouwde voor de bereiding van ammoniak uit raffinaderijgas van Shell. In 1970 fuseerde VKF met de kunstmestfabrieken van DSM en was de vorming van de Unie van Kunstmestfabrieken een feit. Al in 1974 trokken Hoogovens en KNZ (toen al opgegaan in Akzo) zich terug; het belang van Shell (1/4 van de onderneming) werd in 1979 verkocht en UKF ging geheel op in DSM Agro.

Intussen sloopte de KNZ in 1957 de fabriek in Boekelo en vestigde zich Delfzijl. Daar was in 1954 de NV Koninklijke Nederlandse Soda Industrie (NSI) van start gegaan met zoutwinning en –verwerking. De NSI, een onderneming van KNZ, DSM, Ketjen en Mekog, werd in 1958 geheel overgenomen door de KNZ. In 1962 volgt de fusie van KNZ en Ketjen in Koninklijke Zout Ketjen (KZK). Ketjen gaat vervolgens (1967) op in Koninklijke Zout Organon. Het latere AKZO ontstond in 1969 uit de fusie van Koninklijke Zout Organon en de Algemene Kunstzijde Unie.

Algemene Kunstzijde Unie

De vroegste voorloper van de vezelactiviteiten van Akzo was de Nederlandse Kunstzijdefabriek in Arnhem, opgericht in 1911 door Jacques Coenraad Hartogs, zoon van een textielkoopman die rouwcrêpe importeerde van de Britse onderneming Courtaulds. Die crêpe was vervaardigd van viscose, een kunstvezel op basis van cellulose (uit hout). Jacques Coenraad studeerde scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam en ging na zijn doctoraal aan de slag bij Courtaulds, waar hij een nieuw procédé uitvond voor het spinnen van de vezels. Omdat Courtaulds geen belangstelling had voor zijn vinding, ging hij terug naar Nederland, hij promoveerde in 1910 op zijn vinding en besloot zijn eigen kunstzijdefabriek (onder de naam Enka) te bouwen in Arnhem, vanwege de lage grondprijs en de beschikbaarheid van goedkoop water.

De productie van de Enka fabriek in Arnhem startte in 1913. Dankzij de textielschaarste in de Eerste Wereldoorlog liepen de zaken voorspoedig. In 1919 startte Enka met de bouw van een tweede, grotere kunstzijdefabriek in Ede, die in 1922 begon te produceren. Beide fabrieken werden in de loop van de jaren 1920 meermalen uitgebreid. Onder dreiging van de opkomende economische crisis zocht Enka naar mogelijkheden voor internationalisering en diversificatie van de activiteiten. Dit resulteerde onder meer in de fusie van Enka met de Duitse Vereinigte Glanzstoff Fabrieken (VGF); de Algemene Kunstzijde Unie was in 1929 een feit.

Een deel van de activiteiten in Ede werd in 1948 verhuisd naar Emmercompascuum. In Emmen werd een nieuw complex gebouwd voor de productie van nylon, dat in 1952 in bedrijf werd genomen. Het nylongaren werd tot kousen en panties verwerkt in de Danlon fabrieken. Gaandeweg werden de activiteiten uitgebreid met andere vezelproducten, zoals Twaron en Terlenka.
De crisis van de jaren 1930 en de Tweede Wereldoorlog waren een moeilijke tijd voor de AKU. Na de oorlog moest de Duitse invloed in het bedrijf terug worden gedraaid en werden overeenkomsten van vóór de oorlog opgezegd. Pas in 1969 kwam het tot een nieuwe definitieve fusie van Enka met VGF, die nog in datzelfde jaar werd gevolgd door de fusie met Koninklijke Zout Organon: het ontstaan van AKZO.

Vanaf 1970 ging het bergafwaarts met de vezelactiviteiten; er was sprake van een wereldwijde vezelcrisis en er werden grote verliezen gemaakt door de kunstvezelfabrieken. De fabrieken in Arnhem, Emmercompascuum, Breda en Ede werden respectievelijk in 1976, 1977, 1982 en 2002 gesloten.

Een nog levende erfenis van AKU is Twaron, een supersterke en hittebestendige para-aramidevezel voor bijzondere toepassingen bijv. in kogelwerende vesten en als asbestvervanger. De eerste proefinstallatie voor Twaron ging van start in 1976, onder de vlag van AKZO. Tegenwoordig wordt Twaron gemaakt in Arnhem (Twaron pulp), Delfzijl (Twaron polymeer) en Emmen (spinnen en nabewerking van Twaron garens). Sinds 2000 zijn de Twaron activiteiten overgenomen door Teijin Aramid, onderdeel van de Japanse Teijin group.

Van AKZO naar AkzoNobel

AKZO ontstond in 1969 uit de fusie van Koninklijke Zout Organon en de Algemene Kunstzijde Unie. Het bedrijf bestrijkt op dat moment een enorm scala van productieactiviteiten, variërend van zout en daaraan gerelateerde bulkchemicaliën tot kunstvezels, geneesmiddelen, verven en lakken. Sindsdien heeft Akzo een turbulente geschiedenis van zeer grote overnames en het afstoten van onderdelen. Grote overnames waren onder meer: Stauffer Chemical Company in 1987, de fusie met Nobel in 1994, de overname van Courtaulds (coatings en vezels) in 1998, en ICI (Imperial Chemical Industries) in 2007. De vezelactiviteiten (oorspronkelijk Enka, later onder meer Twaron) en de farmaceutische activiteiten (Organon BioSciences) worden afgestoten. Het huidige Akzo Nobel is actief in drie sectoren: chemie, decorative paints en performance coatings.

Deze pagina is onder meer gebaseerd op
Schot et al. 2000, Steffen 2008, Roordink 1993, AkzoNobel 2016w, Ten Cate 2016w, Wikipedia 2016iw, Wikipedia 2016jw, Wikipedia 2016kw, Wikipedia 2016lw, Wikipedia 2016mw, Wikipedia 2016nw, Wikipedia 2016ow, Wikipedia 2016pw, Wikipedia 2016qw en Wikipedia 2016rw.


Bronnen

AkzoNobel 2016w, AkzoNobel - Historie, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Natuurinformatie 2016w, Natuurinformatie - Steenzout, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Roordink 1993, R. Roordink (1993). De Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie. Zout uit de bodem van Twente. De geschiedenis van de KNZ 1918-1940. In: Overijsselse historische bijdragen: verslagen en mededelingen van de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, ISSN 0165-6465, vol. 108 (1993) p. 97-129.
Schot et al. 2000, J.W. Schot, H.W. Lintsen en A. Rip (2000). Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel II. Delfstoffen, Energie, Chemie. Stichting Historie der Techniek, Walburg Pers, Zutphen.
Steffen 2008, J. Steffen (2008). Tomorrow’s answers today. De geschiedenis van AkzoNobel sinds 1646. Akzo Nobel NV, Walburg Pers, Zutphen.
Ten Cate 2016w, Ten Cate - Geschiedenis, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016iw, Wikipedia - AkzoNobel, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016jw, Wikipedia - Sikkens, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016kw, Wikipedia - Ketjen, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016lw, Wikipedia - Zwavelzuur, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016mw, Wikipedia - Maatschappij tot Exploitatie van Kooksovengas, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016nw, Wikipedia - Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016ow, Wikipedia - ENKA (bedrijf), laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016pw, Wikipedia - Algemene Kunstzijde Unie, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016qw, Wikipedia - Jacques Coenraad Hartogs, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016rw, Wikipedia - Twaron, laatst geraadpleegd 9 februari 2016

Laatste wijziging: 09-02-2016
Creative Commons-Licentie
Deze publicatie valt onder een Creative Commons licentie. Zie hiervoor het colofon.