Industriële revolutie


Engeland

Kenmerkend voor de industrialisatie is de omschakeling van handmatige vervaardiging van goederen in ambachtelijke en kleinschalige werkplaatsen naar grootschalige machinale vervaardiging van goederen. De industriële revolutie werd mogelijk gemaakt door grootschalige toepassing van gemechaniseerde arbeid, die geleverd werd door stoommachines. Stoommachines vervingen paarden, mensen, windmolens en watermolens als leverancier van arbeid.

De industriële revolutie begon in Engeland, rond 1750. De stoommachine was het resultaat van een reeks uitvindingen van achtereenvolgens Denis Papin, Thomas Savery, Thomas Newcomen en John Cally. De eerste Newcomen stoommachine werd in 1702 gebouwd. Stoommachines werden aanvankelijk vooral gebruikt voor de aandrijving van waterpompen in mijnen, waarmee het mogelijk werd die mijnen te exploiteren op diepten ruim onder het grondwaterpeil. De ingrijpende verbeteringen die de industriële revolutie mogelijk maakten, werden pas in de tweede helft van de achttiende eeuw ontwikkeld door James Watt. Watt kreeg in 1763 de opdracht een Newcomen stoommachine van de universiteit van Glasgow te verbeteren. Hij wist het rendement op te voeren van 1% naar 4% (!). De eerste machine volgens het ontwerp van James Watt werd opgesteld in een mijngroeve in Cornwall, in 1777.

De textielindustrie in Engeland was een van de aanjagers van de industriële revolutie. De textielindustrie was in het pre-industriële tijdperk al geconcentreerd in fabrieken. Dankzij de door James Watt verbeterde stoommachine, in combinatie met een reeks van innovaties (mechanisering en semi-automatisering) in de weeftechniek, kon de productiviteit van die fabrieken enorm vergroot worden. Thuiswevers konden onmogelijk concurreren met de gemechaniseerde weverijen en werden zo gedwongen in de textielfabrieken te gaan werken om in hun onderhoud te voorzien, net als hun vrouwen en kinderen. In steden als Manchester en andere vroeg-industriële Engelse steden leidde dit in de loop van de negentiende eeuw tot ongekende lucht- en watervervuiling.

De industrialisering werd verder aangejaagd door de toepassing van stoomtractie bij treinen en schepen. Transport over lange afstanden van kolen voor de stoommachines, grondstoffen voor en producten van de fabrieken werd steeds goedkoper.

België

Op het vasteland van Europa was België het eerste land waar de industriële revolutie zich voltrok. De bestaande textielindustrie (wol, katoen en vlas) in Verviers en Gent werd al in het begin van de negentiende eeuw gemoderniseerd. De textielondernemers gingen daarbij voortvarend te werk: in Verviers werd William Cockerill aangesteld, die zijn ervaring uit Engeland meebracht en gebruik maakte van Engelse octrooien die in Frankrijk niet beschermd waren. Een Belgische textielondernemer uit Gent ging zelfs over tot het smokkelen van moderne, gemechaniseerde Engelse machines en geschoold personeel naar België en legde daarmee de basis voor de razendsnelle ontwikkeling van een grootschalige katoen- en vlasindustrie in Gent. John Cockerill, de zoon van William Cockerill, stond aan de wieg van de grootschalige ijzer- en staalindustrie in Luik. Hij bouwde de eerste hoogovens op cokes, dat gemaakt werd uit steenkool die in de lokale mijnen werd gedolven (voorheen werd houtskool als reductiemiddel gebruikt). Behalve ijzer en staal als basismetaal, leverde hij ook machines, schepen, locomotieven en ander spoorwegmaterieel. Na de onafhankelijkheid van België (uitgeroepen op 4 oktober 1830) leverde John Cockerill het materieel voor de ontwikkeling van de Belgische spoorwegen.

Nederland

In Nederland kwam de industriële revolutie pas laat op gang, ruim honderd jaar na die in Engeland. Die late industrialisatie van Nederland wordt vooral verklaard door:
• De dominantie van handel in onze nationale economie.
• De brede toepassing van wind- en watermolens als alternatieve bronnen van gemechaniseerde arbeid.
• Het verlies van een groot deel van onze koloniën in de Franse tijd, zodat er veel minder grootschalige aanvoer van grondstoffen was dan in Engeland – en dus minder behoefte aan grootschalige verwerkingsprocessen.
• De afsplitsing van België: in Wallonië kwam de industrialisatie al vroeg op gang, mede dankzij de infrastructuurwerken (kanalen en spoorwegen) van koning Willem I, waardoor de kosten van aanvoer van grondstoffen en energiedragers (steenkool) fors omlaag werden gebracht en de fabrieksproducten relatief goedkoop naar de markt getransporteerd konden worden. De economie in het noorden van Nederland bleef echter leunen op handel en landbouw. Met de afsplitsing van België raakte Nederland zijn economisch meest ontwikkelde provincies kwijt, terwijl de overheid (aanvankelijk) geen financiële middelen had (vooral als gevolg van de oorlog) om ook in het noorden te investeren.

De industriële structuur van Nederland is niet spontaan ontstaan ten tijde van de industriële revolutie. De vroegste ontwikkeling van grootschalige gemechaniseerde industrie op bepaalde plaatsen in Nederland is toe te schrijven aan een combinatie van:
• ambachtelijke tradities in bepaalde regio’s (bijv. textielweven in Twente);
• nieuwe kennis uit landen die ons in de industriële revolutie al waren voorgegaan (bijv. stoommachines en gemechaniseerde weefgetouwen uit Engeland);
• de aanwezigheid van materiële grondstoffen in Nederland en haar koloniën (bijv. steenzout in de Twentse bodem);
• gebrek aan toegang tot belangrijke grondstoffen of producten door oorlogen en/of restricties op de internationale handel (bijv. stagnatie van zwavelzuurimporten uit België ten gevolge van de afscheidingsoorlog na 1830).

Wie kijkt naar de grootste industriegebieden in het huidige Nederland komt wellicht op de gedachte dat de grootschalige industrie zich vooral rond de haveninfrastructuur aan de Noordzeekust heeft ontwikkeld, maar dat is niet waar. De industrialisatie van Nederland begon feitelijk in de periferie: profiterend van de industriële kennis in het nabije Luik (Wallonië), kon zich in Maastricht een bloeiende glas-, kristal- en aardewerkindustrie ontwikkelen, dankzij het pionierswerk van Petrus Regout. Hij bouwde in 1834 de eerste stoomglasfabriek in Maastricht, gevolgd door een aardewerkfabriek in 1836. Voor de bereiding van glas wordt zilverzand gebruikt, dat in Nederland uitsluitend voorkomt in Zuid-Limburg, in de omgeving van Heerlen en Brunssum. De onderneming van Regout was de basis voor de latere Sphinx fabrieken. De onderneming Koninklijke Sphinx bestaat inmiddels niet meer zelfstandig; het laatste restje, BV De Sphinx Maastricht, werd in 2015 overgenomen door Geberit.

Net als in Engeland en België was ook in ons land de textielindustrie een voorloper in de industriële revolutie. In Enschede werd in 1834 de eerste stoomkatoenspinnerij geïnstalleerd. In Nijverdal werd in 1853 de eerste stoomweverij in gebruik genomen. De textielindustrie in Twente kon pas echt een grote vlucht nemen na forse investeringen in infrastructuur: tussen 1851 en 1855 werd tussen Zwolle en Almelo het Overijssels kanaal aangelegd. In de jaren 1864-1868 werd Enschede op het Nederlandse spoorwegennet aangesloten via een nieuwe verbinding van Zutphen via Hengelo en Enschede naar Glanerbrug, waardoor Twente werd verbonden met het Duitse Gronau. In 1874 kwam er een spoorverbinding van Enschede met het Ruhrgebied tot stand. De kolen voor de stoommachines werden aangevoerd uit Duitsland. In Twente was er voldoende zoet stromend water voor het bleken en wassen van de katoen. De Twentse textielindustrie floreerde onder meer dankzij het alleenrecht op de export van katoen naar Nederlands-Indië.

Uiteindelijk is het de opkomende concurrentie in lagelonenlanden die de Twentse textielindustrie de nek omdraait in de 1960’-er jaren. Alleen Ten Cate (Koninklijke Ten Cate BV) heeft de neergang van de Twentse textielindustrie overleefd. De wortels van Ten Cate gaan terug tot de Koninklijke Stoom Weverij (KSW) in Nijverdal en de firma H. ten Cate Hzn. & Co in Almelo, die in 1957 fuseerden tot de NV Koninklijke Textielfabrieken ten Cate / KSW. Het huidige Ten Cate is een multinational die gespecialiseerd is in hoogwaardige, innovatieve textielproducten, die toepassing vinden in weg- en waterbouw, in de lucht- en ruimtevaartindustrie, defensie, etc.
Andere industriële iconen van Nederland zijn pas later tot ontwikkeling gekomen. We bespreken als voorbeelden DSM en AkzoNobel. Beide bedrijven hebben hun ontstaan grotendeels te danken aan grondstofvoorraden in de Nederlandse bodem, maar beide bedrijven zijn ook een goede illustratie van grote transformaties die zich in de loop van de Nederlandse industriële ontwikkeling hebben voorgedaan. In het geval van DSM is de oorspronkelijke binding aan Nederlandse grondstofvoorraden inmiddels geheel verloren gegaan.

Deze pagina is onder meer gebaseerd op: Lintsen 1993, Wikipedia 2016aw, Wikipedia 2016bw, Sphinx 2016w, Wikipedia 2016cw, en Historien 2016w.

Bronnen

Historien 2016w, Historien, Opkomst van de Twentse Textielindustrie, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Lintsen 1993, H.W. Lintsen (1993). Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel III. Textiel. Gas, licht en elektriciteit. Bouw. Stichting Historie der Techniek. Walburg Pers, Zutphen.
Sphinx 2016w, Sphinx - Geschiedenis, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016aw, Wikipedia - Industriële revolutie, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016bw, Wikipedia - Industriële revolutie in Nederland, laatst geraadpleegd 9 februari 2016
Wikipedia 2016cw, Wikipedia - Koninklijke Sphinx, laatst geraadpleegd 9 februari 2016

Laatste wijziging: 09-02-2016
Creative Commons-Licentie
Deze publicatie valt onder een Creative Commons licentie. Zie hiervoor het colofon.